Het Ziekenfonds

Het ziekenfonds was een private instelling die haar leden verzekeringsarrangementen aanbood om de kosten van medische zorg te dekken. In tegenstelling tot varia- en schadeverzekeraars, werden de vergoedingen van het ziekenfond niet op restitutiebasis verstrekt, maar in natura, waardoor de rekening  van medische zorg meteen aan de zorgverlener werd uitbetaald. Hierdoor werden dikwijls afspraken gemaakt met zorgverleners, zoals ziekenhuizen en apothekers. Een ander kenmerk van het ziekenfond was dat de premies inkomensafhankelijk waren, en dat de kring van verzekerden werd beperkt door middel van een inkomensgrens.

De oudste ziekenfondsen stammen uit de 18e eeuw, toen commerciële instellingen begonnen met het verzekeren van arbeiders. Hierbij richtten ze zich op de minvermogenden, die onder de belastinggrens vielen en hun zorg niet zelf konden betalen.

Door ontevredenheid over de commerciële instellingen, richtten een groot aantal artsen in 1846 het Algemeen Ziekenfond Amsterdam (AZA) op, waarbij verzekerden hun eigen artsen mochten kiezen. Er heerste echter wel een strenge toelatingseis, waardoor mensen boven een bepaalde inkomensgrens niet konden worden verzekerd.

In 1847 vroegen timmerlieden of hun contributiegelden aan het AZA ook konden worden geïnvesteerd in de bouw van arbeiderswoningen. Het bestuur van het AZA reageerde fel en stelde: “ Laat de timmerlieden zich liever toeleggen op hun werk dan op deze dagdieverij!”. Als reactie richtten de timmerlieden hun eigen ziekenfonds op, wat resulteerde in het de oprichting van tientallen arbeidersfondsen. Hierna begonnen werkgevers zich ook te richten op ziekenfondsen. Aan het begin van de 20e eeuw bestonden er in totaal ongeveer 543 afzonderlijke ziekenfondsen. Het was tot die tijd vrijwel onmogelijk voor chronisch zieken, ouderen, zwangere vrouwen en gehandicapten om een verzekering af te sluiten. Dit kwam pas verandering in gedurende de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In 1941 werd, met de afkondiging van het ziekenfondsenbesluit in 1941, een verplichte ziektekostenverzekering in het leven geroepen voor werknemers met een inkomen onder een bepaalde grens. Deze verzekering moest door alle ziekenfondsen worden uitgevoerd, waardoor de ziekenfondsen transformeerden van private instellingen naar uitvoeringsorganen van een publiekrechtelijke regeling. Door het aanbieden van vrijwillige ziekenfondsverzekeringen en aanvullende verzekeringen, wisten de ziekenfondsen een zekere mate van autonomie te houden.

Dit systeem bleef gehandhaafd tot halverwege de jaren 80, toen grote kritiek ontstond omtrent de hoge kosten van het stelsel. Er was voornamelijk kritiek op de open-eind-regeling, waarbij de overheid moest bijspringen wanneer de ziekenfondsen een tekort hadden. Geleidelijk aan begon met toe te werken naar centralisatie van de zorg.

In 2006 werd, met de komst van de Zorgverzekeringswet, de verplichte ziekenfondsverzekering vervangen door de particuliere basisverzekering (tevens verplicht). Deze verzekering wordt tot op de dag van vandaag uitgevoerd door private zorgverzekeraars.